De dag dat ik leerde dat ik niet mag teleurstellen

De dag dat ik leerde dat ik niet mag teleurstellen

En dan is er nog mijn zesjarige ik. Tenminste ik denk dat ik zes jaar was, werd, op de dag dat ik leerde dat ik mensen niet mag teleurstellen.

Ik was jarig en kreeg een boekje van een buurvrouw.

Met een mooie glimmende rode kaft en de titel ‘Ik leer lezen’. Een heel bekende kaft overigens want ik had ‘m al. En juist dat mocht ik niet tegen haar zeggen volgens mijn moeder. Dat was sneu voor de buurvrouw die zo haar best voor mij had gedaan. Ik moest dank u wel zeggen voor iets waar ik eigenlijk niet zo blij mee was. Vooral niet aangeven wat ik vond omdat dat niet leuk is voor de ander. Haar gevoelens wogen blijkbaar zwaarder dan die van mij. Terwijl ze het waarschijnlijk niet eens erg had gevonden.

Deze ‘les’ heeft zich diep in mijn zijn, doen en laten geworteld en heeft invloed gehad op alles wat ik deed en doe.

Beslissingen durf(de) ik niet te nemen omdat de persoon waar het om ging het er wel eens niet mee eens kon zijn of er verdriet door zou kunnen krijgen. Meningen hield ik voor me. Mijn eigen ik en mijn eigen geluk waren (en zijn) altijd minder belangrijk dan die van een ander. Jarenlang heb ik bij alles wat ik doe rekening gehouden met de andere partij. Te veel. Ik mocht vooral niet teleurstellen of op tenen trappen. Ik moest mijn minder leuke boodschap maar gewoon voor me houden. Die zou namelijk wel eens sneu of zielig voor de ander kunnen. Zij zijn belangrijker dan ik. Altijd.

Ik weet dit al een tijdje. En probeer het te doorbreken.

Maar omdat ik al jaren leef volgens de overtuiging dat de gevoelens van anderen de mijne overstijgen en ik hen niet mag teleurstellen, ben ik daar niet bijzonder succesvol in. Het lukt me vaker niet dan wel. In mijn hoofd stormt het dan als een wilde. Want ik weet wat ik wil zeggen. Ik weet dat ik wil kiezen voor mezelf, aangeven wat ik er van vind. Maar ik doe het niet! Het is dat zesjarige meisje dat aan de hand van haar moeder zegt wat haar moeder wil.

Lukt het me wel om die zesjarige af te schudden en mijn mening te geven, dan gaat het vaak met zo’n botte bijl dat de honden er geen brood van lusten.

Logisch! Ik heb dit immers nooit goed geleerd. Het lijkt er op dat ik vooral geleerd heb om mee te praten om anderen gelukkig te maken. Tegengas geven of iets zeggen waar de andere partij het of niet mee eens is of er niet blij van wordt, heb ik afgeleerd. Dit stukje moet ik opnieuw laten groeien.

Nu heb ik van mijn coach geleerd dat ik dat zesjarige meisje gewoon liefdevol kan toespreken en vertellen dat dat toen zo was, maar dat we inmiddels ruim dertig jaar verder zijn. Dat zij belangrijk is. Dat ik gewoon mag zeggen wat ik vind. Dat dit gedrag toen misschien handig was, net als de stress bij die vijftienjarige puber die met angst en beven de resultaten van haar economietoetsen tegemoet zag. Maar dat het nu echt mooi geweest is.

Toch kom ik maar niet bij haar.

Ik kom maar niet bij dat meisje van zes om haar duidelijk te maken dat ze inmiddels veertig is en dat het hoog tijd wordt dat ze voor zichzelf kiest. Dat ze echt mag zeggen wat ze er van vindt, ongeacht de mening van een ander. Dat ze beslissingen mag en kan nemen waar zij blij van wordt, ook als een ander het niet met haar eens is. Dat haar mening er toe doet en ze zichzelf echt te kort blijft doen als ze zo door gaat.

 

 

 

 

 

 

Advertentie
Over hoe Bertus mij raakte

Over hoe Bertus mij raakte

Terwijl ik aan het werk ben, hoor ik zacht gemiauw. Mijn eerste gedachte is dat de kat van de buren weer door onze tuin struint, op zoek naar die ene muis die zich al een tijd deskundig verstopt tussen de bladeren. Ik let er niet op en ga verder met waar ik mee bezig ben. Dan roept mijn dochter of ik naar beneden wil komen want ze wil wat laten zien. Eenmaal beneden vertelt ze dat er een poes in de hal zit. Hij is achter haar en haar vader aangelopen toen ze aan het wandelen waren en nu is hij hier. Het blijkt een scharminkelig diertje te zijn. Een beetje verslonst, erg mager, wiebelig en volgens mij is hij ook al aardig op leeftijd. Een zwervertje waarschijnlijk of in ieder geval al een flinke tijd zijn huis kwijt.

Toch hij is alleraardigst. Binnen nog geen minuut heeft hij ons hart gestolen.

Hij krijgt een bakje drinken en een beetje yoghurt. En hij eet alsof hij uitgehongerd is. We maken een knus plekje voor ‘m waar hij meteen gaat liggen soezen. Dochter geeft hem de klinkende naam Snorretje en ik rij ondertussen naar de supermarkt voor kattenvoer. We kunnen onze spinnende gast natuurlijk niet met een lege maag laten zitten. Zo zit hij de hele avond gezellig bij ons. Ook op schoot, daar moeten we ‘m dan op tillen want zelf springen gaat nauwelijks. Hij is totaal op z’n gemak. Als ik naar bed ga zet ik hem weer buiten en na nog een kopje en een aai stapt hij de donkere nacht in. Als ik hem zie wegwankelen, vraag ik me af of we hem wel weer zullen terugzien. Hij is zo wankel en zo traag.

De volgende dag. Ik sta ontbijt te maken en om stipt zeven uur hoor ik weer gemiauw.

Daar is onze Snorretje weer. Hij wiebelt voorzichtig naar binnen als ik de deur open doe. Over de drempel stappen is een hele opgave, maar het lukt. De brokjes die ik speciaal voor hem heb gehaald en waar hij gisteren van smulde, hoeft hij niet. Van de melk drinkt hij goed. Dochter is helemaal wild van ‘m en wil met hem spelen, maar dat gaat niet. Hij heeft geen interesse in het touwtje dat ze voor zijn neus houdt. In plaats daarvan gaat hij weer lekker op z’n plekje in de hal liggen.

De hele ochtend blijft hij bij me. Ik zet ‘m op schoot terwijl ik zit te werken en daar blijft hij zacht spinnend liggen. Dan bel ik het asiel. Niet dat ik ‘m weg wil doen, in tegendeel. Maar stel dat hij gechipt is, dan kunnen ze die daar uitlezen en kan hij hopelijk snel terug naar zijn baasjes. Want ik kan me voorstellen dat deze lieve knuffelkater enorm gemist wordt. Heb dochter daarom ook meteen uitgelegd dat we eerst op zoek gaan naar zijn baasjes. Mochten we die niet vinden, dan mag hij bij ons blijven.

Eenmaal bij het asiel blijkt dat hij geen zwerver is. Snorretje heeft een chip, heet in werkelijkheid Bertus en woont bij ons in de buurt.

Hij is al behoorlijk op leeftijd, zestien jaar oud. In een geleend kattenmandje loop ik met Bertus naar het adres dat het asiel van de chip heeft gelezen. Meteen zie ik dat hier een kattenliefhebber woont: Bertus heeft zijn eigen ingang naar een schuilplekje in de schuur. Maar er wordt niet open gedaan. De buurvrouw vertelt dat de baasjes van Bertus met vakantie zijn en morgen weer terugkomen. En ze schrikt als ze Bertus ziet: ‘Och lieve schat, wat ben je mager!’ Ze geeft me meteen het adres van zijn oppas. Daar doet een aardige dame open en als ik vertel dat Bertus de afgelopen dagen regelmatig bij ons was, is ze zichtbaar opgelucht. Ze kon hem steeds nergens vinden en was bang dat hij misschien stiekem was doodgegaan. Ze had er al een slapeloze nacht van gehad. Bertus schuifelt door haar woonkamer en zoekt een fijne plek bij de verwarming.

De oppas en ik wisselen ondertussen telefoonnummers uit zodat we elkaar op de hoogte kunnen houden van Bertus’ verblijfplaats.

Zo maak ik plotseling deel uit van het ‘zorgnetwerk’ rondom deze lieve oude kater. We appen heel wat af, de oppas en ik. Elke keer weer blij om te horen dat Bertus bij de ander is.

Maar dan krijgen we woensdagochtend het bericht dat Bertus bij de oppas op de bank ligt. Hij heeft de avond daarvoor alles laten lopen en beweegt nauwelijks meer. Zijn baasjes zijn net terug van vakantie en halen hem straks op om naar de dierenarts te gaan. Ik heb zo’n voorgevoel dat dit Bertus z’n laatste reisje wel eens kan zijn en bereid mijn dochter er op voor dat hij misschien wel dood gaat. Als ik haar uitleg dat dan gebeurt omdat hij al heel oud is en te ziek, antwoordt ze: ‘Dat is dan wel jammer, want dan kan hij niet meer even langskomen.’ Dat ben ik roerend met haar eens. Want hoe gammel hij ook was, hij was een heel gezellig beestje.

De oppas houdt me de hele dag op de hoogte van het wel en wee van Bertus. Al valt er natuurlijk niet zoveel meer te vertellen. En dan krijgen we om vier uur het verdrietige bericht dat de dierenarts Bertus heeft laten inslapen. Hij was te oud en te zwak om nog op te lappen. Hij was op. Heeft nog wel gewacht tot zijn baasjes weer terug waren voordat hij het bijltje er echt bij neergooide.

Dit bericht raakt me meer dan ik had verwacht. De tranen lopen over mijn wangen.

Want ik ga hem missen. In die paar dagen ben ik zo verknocht geraakt aan dit katertje. Hoe bijzonder is dat! Met zijn hoogbejaarde kattencharme heeft Bertus me ingepakt en tot op het bot geraakt. Zo lief. Zo puur. Zo zichzelf. Zo’n onvoorwaardelijk vertrouwen in ons vanaf het eerste moment. Zo mooi.

Dag lieve Bertus! Het waren drie fantastische dagen!